Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Marijke van Daelen

Avatar
Rob Bruntink is freelance-journalist/auteur, met palliatieve zorg als specialiteit. Hij is hoofdredacteur van twee tijdschriften over palliatieve zorg (Pallium en Pal voor u) en mede-eigenaar van Bureau MORBidee, een bureau dat het bespreekbaar(der) maken van de dood tot doel heeft.
Marijke van Daelen is huisarts in Blaricum, consulent palliatieve zorg en coördinator van de kaderopleiding Palliatieve zorg. Ook is ze bestuurslid van Stichting PaTz (PalliatieveThuiszorg) en PalHag (Palliatieve Zorg Huisartsen Advies Groep). "De financiering van de transmurale palliatieve zorg is al vele jaren een pijnpunt."
Als ik zie wat je allemaal doet en al gedaan hebt, rest slechts één conclusie: er klopt een ‘palliatief hart’ in Marijke van Daelen.
“In mijn werk heb ik inderdaad veel met palliatieve zorg te maken. Dat begon al in mijn opleidingspraktijk, toen ik eind jaren 80 als jonge huisarts workshops gaf over pijnbestrijding en het gebruik van pompen in de thuiszorg. De interesse voor palliatieve zorg is gebleven. Sinds 1995 werk ik als huisarts in Blaricum. Ik volgde mijn voorganger op in de Werkgroep Deskundigheidsbevordering Huisartsen in die regio. Palliatieve zorg gaf ik daarin ook aandacht. Na het volgen van de kaderopleiding Palliatieve zorg ging ik een peergroup palliatieve zorg begeleiden, destijds een initiatief van Bernardina Wanrooij. Later, in 2009, werd ik coördinator van die kaderopleiding.”
Een belangrijke functie van de peergroups – de kant van de intervisie – is min of meer overgenomen door de PaTz-groepen, of niet?
“Ja, zo zou je dat kunnen zien, al zijn er natuurlijk nog steeds peergroups actief. Ik zie de PaTz-groepen echt als hoeksteen van de palliatieve zorg in de eerste lijn. Als huisarts werk je daarin samen met wijkverpleegkundigen, en ook steeds meer met geestelijk verzorgers. Je komt regelmatig bij elkaar en bespreekt samen alle palliatieve casuïstiek. Hoe beter je elkaar leert kennen, hoe groter de kans dat je ook bij elkaar terecht kunt voor het bespreken van de dilemma’s en uitdagingen die je in de praktijk tegenkomt. Die intervisie was natuurlijk, naast kennisoverdracht, bij uitstek de functie van de peergroups.”
Hoe gaat het met de PaTz-groepen?
“Erg goed. Er zijn er inmiddels al zo’n 240. Er mogen er natuurlijk altijd nog meer bij komen, maar het wordt dan ook wel een steeds grotere uitdaging om aan iedere PaTz-groep een consulent palliatieve zorg te koppelen. Dat is wel een vereiste, omdat die kan helpen het niveau van de kennis en vaardigheden van de deelnemende huisartsen en wijkverpleegkundigen te verhogen. Tot voor kort was ik consulent van vijf verschillende PaTz-groepen, inmiddels zijn dat er drie. Ook al kom je per PaTz-groep maar vijf tot zes keer per jaar bij elkaar, het is voor een consulent toch intensief werk.”
En hoe gaat het met de financiering van die groepen?
“Dat is en blijft een lastig punt: er is geen structurele financiering. Dat geldt nog meer voor de regionale transmurale consultatieteams. Dat komt omdat het multidisciplinaire teams zijn. Dat gegeven vereist een financiering over de huidige schotten heen. Dat maakt het lastig. Er is op allerlei manieren al gepoogd daar iets aan te doen, maar de moraal van het verhaal is dat ik mijn consulentenwerk voor het regionale palliatieteam al een jaar doe zonder dat ik weet wat ik daarvoor ga krijgen. Ik weet alleen dat er een vergoeding zal gaan komen.”
Ik kan me uit de jaren 90 herinneren dat consulenten palliatieve zorg hun werk ‘liefdewerk, oud papier’ noemden. Is dat vijfentwintig jaar later nog steeds zo?
“Ik vrees dat het daar wel op neerkomt. Er is geen structurele financiering beschikbaar. Wel voor de voormalige IKNL-consultatieteams – tegenwoordig de Fibula-teams – maar niet voor de andere eerstelijnsteams of de transmuraal werkende teams. Als ik naar mijn eigen regio, de Gooi- en Vechtstreek, kijk: daar heeft de ziektekostenverzekeraar onlangs besloten het werk van het regionale transmurale team niet te financieren. Dus wat gebeurt er dan? Dan trekt het ziekenhuis zich terug in het Palliatieve Team van het ziekenhuis, en valt het transmurale team uiteen. Terwijl je juist zo graag die verschillende teams – zij die in de eerste lijn werken, en zij die in het ziekenhuis werken – bij elkaar wilt brengen, om versnippering tegen te gaan. Maar het tegenovergestelde wordt nu bereikt: er komen eerder teams bij, omdat thuiszorgorganisaties bijvoorbeeld met een eigen team beginnen.”
Is er dan geen enkele partij die hierover met de vuist op tafel kan slaan en een einde kan maken aan deze situatie? IKNL? Fibula? PZNL?

“Ik heb geen idee. Iedereen doet wel zijn best, maar het lukt blijkbaar niet om met een werkzaam plan te komen.”

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12479-021-0863-8/MediaObjects/12479_2021_863_Fig1_HTML.jpg
Foto door Vincent Boon
Dit zal vast zijn weerslag hebben op het werkplezier. Is het nog wel leuk om te doen?
“Het kost gewoon erg veel tijd, dat is vervelend. Je bent constant aan het puzzelen: hoe krijgen we de financiering voor elkaar? Ik heb het idee dat we telkens wel wat stapjes vooruit zetten, maar het gaat traag.”
Laten we het over iets anders hebben: de kaderopleiding Palliatieve zorg. Je bent daar al zo’n 12,5 jaar aan verbonden, als coördinator. Eerst met Siebe Swart, daarna met Marjan de Gruijter.
“Ja, en ik ben het stokje nu aan het overdragen aan collega-kaderhuisarts Carla Juffermans, want aan het eind van de tiende ronde van de kaderopleiding, in juni, stop ik. Ik heb dan de AOW-leeftijd bereikt. Als ik echt zou willen, zou ik met mijn werkgever – Amsterdam UMC – misschien iets kunnen afspreken over verlenging, maar ik creëer graag ruimte om weer wat meer in de praktijk te werken en me bezig te houden met regionale palliatieve ontwikkelingen, dus dat is niet aan de orde. Ook Marjan is gestopt, dus er komt met ingang van de elfde ronde van de kaderopleiding een nieuw duo aan het roer; Marjan wordt opgevolgd door specialist ouderengeneeskunde Hermien Goderie. Carla en Hermien draaien nu op de achtergrond mee. Zo raken ze goed voorbereid op hun nieuwe taak. En gelukkig blijft Gerda van Zoen, die ons in secretarieel en ICT-opzicht altijd fantastisch ondersteunt en van grote waarde is voor de alledaagse gang van zaken rondom de opleiding.”
Wie de opleiding afrondt, mag zich kaderarts palliatieve zorg noemen. Is die functienaam bekend genoeg? Weet iedereen in de zorg wat hij/zij van een kaderarts mag verwachten?
“Het ligt eraan aan wie je het vraagt, denk ik. In de huisartsenwereld is de kaderarts echt een begrip. Daar kent men bijvoorbeeld ook de kaderarts diabetes of urogynaecologie. Er zijn zo’n tien tot vijftien verschillende opleidingen die tot kaderarts opleiden. Onze opleiding op gebied van palliatieve zorg is er daar één van. Een kaderopleiding is eigenlijk altijd een dubbele opleiding: je leert iets over een specifiek deel van de geneeskunde én je leert iets over de functie van kaderarts. Kaderartsen ondersteunen bijvoorbeeld collega-huisartsen en helpen daardoor mee de huisartsgeneeskunde te professionaliseren. Daarnaast zijn zij actief in de ketenzorg. Bij dat soort werkzaamheden horen gewoon specifieke vaardigheden en kwaliteiten, en die leer je óók in de opleiding.
Buiten die eerstelijnszorg is de bekendheid van kaderartsen waarschijnlijk een stuk geringer. De bekendheid, en ook het aanzien, heeft voor een belangrijk deel te maken met het al dan niet bestaan van een register waarin de kaderartsen zich kunnen laten opnemen. Binnen de huisartsenwereld is dat geregeld (in het College van Huisartsen met Bijzondere Bekwaamheden – red.) en bij de specialisten ouderengeneeskunde en longartsen ook. Bij heel veel andere medisch-specialismen dus niet. Daar valt dus nog wel een wereld te winnen. Ik denk daarbij vooral aan de geriaters en oncologen.”
Hoeveel kaderartsen palliatieve zorg zijn er eigenlijk in Nederland?
“We hebben er de afgelopen twintig jaar zo’n vierhonderd artsen opgeleid. Maar een deel ervan zal inmiddels weer zijn opgehouden met werken. Want je zag met name in het begin van de opleiding dat we relatief veel oude cursisten hadden. Dus ik schat dat er zo’n 250 actief zijn.”
Ik constateer een wildgroei aan termen in het medische circuit. Wat de expertise van een kaderarts palliatieve zorg is, kun je aflezen aan de inhoud van de opleiding en de functie die een kaderarts heeft. Maar welke deskundigheid zit achter titels als ‘arts symptoombestrijding en palliatieve zorg’, ‘specialist palliatieve en ondersteunende zorg’ of ‘specialist palliatieve geneeskunde’?
“Dat is inderdaad niet duidelijk. In het Kwaliteitskader palliatieve zorg spreekt men bijvoorbeeld ook over ‘expert palliatieve zorg’. We hebben daar al weleens een overleg aan gewijd, maar het is zo ingewikkeld om vast te stellen wat de specialist palliatieve zorg doet onderscheiden van een expert palliatieve zorg. Je weet waarschijnlijk dat we naast die tweejarige kaderopleiding Palliatieve zorg ook een cursus Palliatieve zorg aanbieden voor medisch-specialisten. Dit is een negendaagse opleiding. Ben je na het volgen daarvan een specialist palliatieve zorg? Een expert palliatieve zorg? Je zou daar met z’n allen iets over moeten afspreken. Maar daar zijn we voorlopig nog niet over uit. “
Wat ga je missen aan je werk bij de kaderopleiding? En wat vooral niet?
“Het contact met de deelnemers zal ik enorm gaan missen. Ik was coördinator, maar tegelijkertijd was ik ook mentor. Dat betekent dat je een klein groepje cursisten gedurende de twee jaar begeleidt bij hun studie en de opdrachten die ze moeten uitvoeren. Dan heb je best intensieve contacten. Die zal ik gaan missen. Wat ik zeker niet zal missen is het moeten beoordelen van de opdrachten. Dat bleef ik altijd iets ongemakkelijks vinden. Vooral als tijdens zo’n opleiding blijkt dat iemand toch niet de competenties kan ontwikkelen die nodig zijn voor het functioneren als kaderarts. Dan moet je streng zijn en dat vond ik niet fijn om te doen.”
Er loopt al enige tijd een onderwijsprogramma, O2PZ. Dat is er onder meer op gericht om ‘palliatieve zorg’ te integreren in de opleidingen geneeskunde. Gaat dat jullie kaderopleiding of cursus overbodig maken?
“Nee, zeer zeker niet, eerder het tegenovergestelde. Als palliatieve zorg in de opleiding zit, kunnen meer artsen het idee krijgen dat ze zich daarin willen specialiseren. Als ze daarvoor willen kiezen, komen ze bij onze kaderopleiding of cursus uit. Maar eerlijk gezegd denk ik niet dat die integratie op korte termijn gerealiseerd gaat worden. Niet dat opleidingen het niet zouden willen opnemen in hun programma’s, maar omdat het aanpassen en ontwikkelen van nieuwe curricula nou eenmaal veel tijd kost. Je bent zo tien jaar verder.”
De inschrijving voor de elfde ronde van de kaderopleiding Palliatieve zorg is dit voorjaar gestart. De cursus Palliatieve Zorg voor Medisch Specialisten is tot en met 2022 volgeboekt. Zie voor meer informatie www.opleidingpalliatievezorg.nl
Door Rob Bruntink, publicist en hoofdredacteur van Pallium.
Avatar
Rob Bruntink is freelance-journalist/auteur, met palliatieve zorg als specialiteit. Hij is hoofdredacteur van twee tijdschriften over palliatieve zorg (Pallium en Pal voor u) en mede-eigenaar van Bureau MORBidee, een bureau dat het bespreekbaar(der) maken van de dood tot doel heeft.